Iedereen heeft het wel eens meegemaakt: je bent bang dat je collega teveel van zichzelf vraagt. Of dat teveel gevraagd wordt. Hoe voorkom je dat het helemaal misloopt? Dat hij of zij langzaam richting burn-out glijdt. Wat kun je dan doen? Wat mag je van je werkgever verwachten? Hoe voorkom je dat hij of zij écht knakt?

Door rood rijden; Signalen burn-out negeren

‘Luisteren naar mijn lichaam deed ik allang niet meer’ vertelde een oud-collega me. Na mijn vertrek bij m’n oude werkgever had ik nog wel wat contact gehad, maar je verliest elkaar toch uit het oog. Nu kreeg ik ineens een nieuwjaarskaart. Leuk, om iets van een oude bekende te horen. Maar ik schrok erg van de inhoud: ‘Sinds bijna een jaar zit ik thuis en probeer ik voorzichtig overeind te krabbelen’. Wat was er gebeurd? Die energieke jonge meid, altijd klaar staan voor een ander, altijd de vrolijkheid zelf?

Van klacht naar uitval

Een week later belt ze en weer even later maken we een fijne wandeling. Ik schrik van het verhaal. Achter haar spontane opstelling en vrolijkheid ging een aan haarzelf opgedragen druk schuil. Ze moest zo zijn van zichzelf. Eerlijk gezegd had ik me ook wel eens afgevraagd waar ze de energie vandaan haalde. Nu hoor ik dat haar leven inderdaad meer eiste dan ze in huis had. Dat haar hulpbronnen minder waren dan haar energieverbruik. Dat ze langzaam uitputte.

Symptomen van een burn-out

De kans dat iemand burn-out klachten krijgt is groot. Het CBS en TNO berekenden dat ruim een op elke zeven werknemers in Nederland ze heeft. De definitie is dat je minstens eens per maand aan het eind van de werkdag leeg bent of emotioneel uitgeput door je werk. ‘Dat hebben we allemaal wel eens’ denk ik dan. Arnold Bakker, hoogleraar organisatie psychologie, maakt duidelijk dat gelukkig niet iedereen met zo’n klacht langdurig thuis komt te zitten. Maar dat dit voor zo’n vijf procent van de werknemers wel geldt. Dat is een op de twintig: hoe groot is je team? Reken maar uit.

Niet alleen productie telt

Ga daarom in gesprek met collega’s waarvan je denkt dat het hen over de schoenen gaat lopen. Tijdens de wandeling met m’n vroegere collega hoor ik dat ze bijna structureel het gevoel had tekort te schieten. Maar dat de schone schijn de boventoon bleef voeren. Dat ons beider leidinggevende niet doorvroeg toen duidelijk werd dat het eigenlijk niet meer ging. Van je werkgever mag je verwachten dat hij een goede werkgever is; dat-ie begrijpt dat er momenten zijn waarop niet alleen je productie of output is wat telt. Op zulke momenten zou het alleen om jou moeten gaan, om jezelf als mens. Als mens met hulpbronnen die altijd eindig zijn. Het is verwijtbaar als die eindigheid van energie genegeerd wordt. Dat zou ook voor je werkgever onhandig zijn: liever nu ruimte geven, en jij ruimte krijgen, om het werk zo in te richten dat je het vol kunt houden en met plezier kunt werken. Beter dan langdurig uitvallen.

Samen aan de slag

Controle krijgen en houden over je eigen werk en werkdruk. Dat is wat telt. En niet iedereen heeft hetzelfde nodig. Niet het gevoel krijgen en vasthouden dat het door jou komt. Kom nu, 14 procent heeft klachten. Vijf procent valt langdurig uit. Dat is geen individuele zaak meer. Daar ga je het samen over hebben. Nu, achteraf, bij die wandeling. Maar ook bij het eerst volgend overleg: eerst met losse collega’s, dan met jullie leidinggevende. En daarna met elkaar bespreken wat er gedaan wordt. Dat gaat iedereen aan.